print

Uitspraak tuchtcommissie inzake speler Vols d.d. 9 mei 2012

Geplaatst op 10-05-2012

1. Beschuldiging
Speler Vols wordt ervan beschuldigd dat hij op 4 maart 2012, tijdens een niet aangemelde wedstrijd, speler De Voogd met de stick in het gezicht heeft geslagen, waardoor speler De Voogd serieus letsel aan gebit en kaak zou hebben opgelopen.

2. Procedure
De zaak van speler Vols is op 15 maart 2012 door het bondsbestuur voorgelegd aan de tuchtcommissie. Na een initiële behandeling op 21 maart 2012 heeft de behandeling van de zaak plaatsgehad op de zitting van 9 mei 2012. Ter zitting was aanwezig de speler en waren voorts aanwezig zijn ouders en zijn raadsman, die namens en te zijnen behoeve het woord hebben gevoerd.

Na de behandeling ter zitting heeft de tuchtcommissie (buiten aanwezigheid van de aanklager) beraadslaagd.

3. Bevoegdheid
Namens de speler is de onbevoegdheid van de tuchtcommissie ingeroepen, kort gezegd, omdat de wedstrijd die op 4 maart 2012 plaatsvond een niet-aangemelde wedstrijd betrof en de speler zich ter zake van die wedstrijd niet aan het tuchtrecht  van de NIJB zou hebben onderworpen.

Dat verweer wordt verworpen.

Aan de rechtspraak van de NIJB zijn ingevolge artikel 23 lid 1, laatste zinsdeel van de Statuten, onderworpen “de eigen leden c.q. aangeslotenen van de leden van de bond.” Speler Vols is lid van IJshockeyvereniging Amstel Tijgers, welke vereniging lid is van de NIJB. Speler Vols behoort aldus tot de aan tuchtrechtspraak van de NIJB onderworpen natuurlijke personen.

Deze onderwerping aan de tuchtrechtspraak is geen rechtshandeling die steeds weer opnieuw gedaan zou moeten worden, bijvoorbeeld bij gelegenheid van een individuele wedstrijd, training of anderszins. Elk speler die lid is van een ijshockeyvereniging of aangesloten is bij een stichting in welk kader de ijshockeysport wordt beoefend, is aan de tuchtrechtspraak onderworpen indien deze vereniging of deze stichting lid is van de NIJB, zoals hier het geval is. Onderwerping aan de tuchtrechtspraak vindt m.a.w. plaats door verwerving van het lidmaatschap van de betreffende ijshockeyclub.

Ingevolge artikel 23, lid 2 is de tuchtcommissie van de NIJB bevoegd aan de tuchtrechtspraak onderworpen personen te bestraffen met de straffen als beschreven in het Tuchtreglement. Deze bevoegdheid tot bestraffing dient zich ingevolge dit artikel 23, lid 2 aan, wanneer sprake is van overtreding van het bepaalde in artikel 23, lid 1 sub b, dus bij “handelen of nalaten in strijd met de statuten, reglementen, wedstrijdbepalingen en/of besluiten van de bond of handelen of nalaten waardoor de belangen van de bond of van de ijshockeysport worden geschaad.”

Deze jurisdictie is niet beperkt tot wedstrijden of andere evenementen die onder auspiciën van de NIJB worden georganiseerd. In dat verband verdienen twee aspecten aandacht:

·    In de eerste plaats hebben de betreffende regels uit het sportreglement niet de strekking de bevoegdheid van de tuchtrechtspraak te beperken, maar willen deze regels m.n. het ordelijke verloop van wedstrijden bevorderen en daartoe de NIJB-autoriteiten invloed geven op de organisatie van die wedstrijden en op de gang van zaken van die wedstrijden. Niet-naleving van die regels – bijvoorbeeld het niet (tijdig) aanmelden van een wedstrijd - bewerkstelligt dan ook niet dat de NIJB en de NIJB-tuchtrechtspraak geen verenigingsrechtelijke jurisdictie zouden hebben, maar is onder omstandigheden integendeel een tuchtrechtelijk strafbaar feit.

·    In de tweede plaats kan ook buiten ijshockeywedstrijden sprake zijn van handelingen die naar de maatstaven van het tuchtrecht van de NIJB strafbaar zijn. De statuten noemen in dit verband “handelen of nalaten (…) waardoor de belangen van de bond of van de ijshockeysport worden geschaad”. Dergelijk handelen of nalaten kan zich ook buiten een wedstrijd afspelen.

De tuchtcommissie acht zich dus bevoegd om de door het bondsbestuur voorgelegde zaak tegen  speler Vols te onderzoeken en in voorkomend geval een straf op te leggen.

4. Verweer
Namens de speler is aangevoerd dat in casu een onafhankelijk onderzoek had moeten worden gedaan door de NIJB, en dat de aanklager zulks niet heeft gedaan, omdat de aanklager kort na het voorval al een strafadvies gaf en eerst nadien nader onderzoek deed. Voorts is er op gewezen dat de speler door de aanklager werd geschorst in afwachting van de tuchtzaak, waartoe de aanklager evenwel niet bevoegd is.

Inzake die verweren overweegt de tuchtcommissie dat de procedure zoals die door en ten overstaan van de Tuchtcommissie wordt gevoerd er een op tegenspraak is, waarin alle relevante feiten in voldoende mate naar voren kunnen komen. De reglementen van de NIJB schrijven geen aanvullend onderzoek voor, en ook overigens ziet de tuchtcommissie in casu geen reden om een aanvullend onderzoek te bevelen.

Het verweer dat de aanklager niet bevoegd is spelers te schorsen is gegrond. De tuchtcommissie zal in de overwegingen inzake de strafmaat nader ingaan op dit punt.

Namens de speler is verder het volgende (verkort weergegeven) verweer gevoerd, dat de bestraffing aanmerkelijk lager zou dienen te zijn dan de door de aanklager voorgestelde straf van levenslange schorsing, omdat:

- de speler zeer veel spijt van het voorval heeft;

- in casu werd gespeeld zonder de regels van het sportreglement na te leven en zonder dat van de inzet van een gekwalificeerde scheidsrechter is gebleken;

- de wedstrijd tussen qua leeftijd en ervaring zeer ongelijke teams werd gespeeld, wat frustratie in de hand heeft gewerkt;

- dat om die reden van verschillende zijde ook al eerder was aangedrongen op het staken van de wedstrijd;

- dat de spelregels inconsequent werden toegepast waardoor normoverschrijdend gedrag werd bevorderd;

- dat voorkomen moet worden dat zo een jonge getalenteerde speler nooit meer ijshockey kan spelen;

- dat niet blijkt dat de onderhavige tuchtrechtelijke vervolging door speler De Voogd is geďnitieerd;

- dat er geen redenen zijn om voor recidive te vrezen, en dat in verband daarmee een overwegend of uitsluitend voorwaardelijke straf de voorkeur zou verdienen;

- dat met het oog op eventuele herhaling de speler psychologische bijstand heeft gezocht.

5. Bewezenverklaring en kwalificatie
De tuchtcommissie komt op grond van de voorliggende stukken – waaronder foto’s van het slachtoffer – en op grond van een ter zitting van 9 mei 2012 vertoonde DVD – tot de slotsom, dat speler Vols daadwerkelijk speler De Voogd met zijn stickblad in het gezicht heeft geslagen, waardoor speler De Voogd serieus letsel aan gebit en kaak opliep.

Deze bewezen verklaarde handeling kwalificeert de tuchtcommissie als een gekwalificeerde slashing (spelregel 537 sub b) čn, vanwege de ernst van het feit en de impact die dat op de reputatie van het ijshockey kan hebben, als een handelen waardoor de belangen van de bond of van de ijshockeysport worden geschaad (artikel 23, lid 1 sub b van de Statuten).

6. Strafmaat
De tuchtcommissie beschouwt de vastgestelde overtreding als een zeer ernstig feit. In het veleden, bij volwassen spelers, zijn dergelijke overtredingen wel bestraft met levenslange schorsing, aangezien zulke overtredingen eenvoudigweg uit het ijshockey uitgebannen behoren te worden.

De namens de speler aangevoerde verweren geven de tuchtcommissie ook niet zonder meer reden om van een zware straf af te zien. De tuchtcommissie is niet in staat de feitelijke gegrondheid van al die verweren tot in detail te onderzoeken, en in verband daarmee neemt de tuchtcommissie voor de beoordeling van de zaak van speler Vols aan dat die verweren feitelijke grondslag hebben. Tegelijkertijd stelt de tuchtcommissie vast:
(i) dat de teamgenoten van de speler aan dezelfde spelomstandigheden blootgesteld waren, maar dat van vergelijkbare overtredingen niets blijkt;
(ii) het in het ijshockey met regelmaat voorkomt dat wedstrijden geleid moeten worden door jonge en onervaren scheidsrechters, en dat ook dan overtredingen als de onderhavige vrijwel nooit voorkomen.

Hoewel het opgeworpen verweer inzake de wedstrijdomstandigheden naar het oordeel van de tuchtcommissie dus niet geheel zonder merites is en ook aan de strafmaat zal bijdragen, kunnen deze de conclusie van een geheel voorwaardelijke straf zeker niet dragen.

Ditzelfde geldt voor de door de aanklager uitgesproken schorsing. Inhoudelijk was voor deze tijdelijke schorsing in de aanloop naar de zitting – hoewel uiteraard onbevoegd - niet zonder merites. De tuchtcommissie kan hieraan  in het kader van de strafmaat slechts weinig gewicht toekennen.

Tenslotte is ook het feit dat niet is gebleken van initiatieven van het slachtoffer voor de onderhavige vervolging niet van betekenis. Nog daargelaten dat klaarblijkelijk wel strafrechtelijk aangifte is gedaan en het slachtoffer dan wel degelijk van oordeel is dat het feit strafwaardig is, komt het vervolgingsoordeel in casu (ook) aan het bondsbestuur toe, dat op goede gronden vervolging opportuun kon oordelen.

Waar de tuchtcommissie veel gewicht aan toekent zijn de volgende omstandigheden:

(i) de leeftijd van de speler (14 jaar);
(ii) zijn strafverleden, waarin geen ernstige overtredingen voorkomen;
(iii) de aangetoonde inspanningen van de speler en zijn ouders om herhaling te voorkomen;
(iv) de aannemelijke inspanningen van de speler en zijn ouders om op een goede manier contact met het slachtoffer te zoeken.

Ter zitting heeft de moeder van de speler nog opgemerkt dat haar zoon vanwege zijn gedrag tot het onderhavige voorval – in en buiten het ijshockey – juist een heel goede scheidsrechter zou kunnen zijn. Hierop wordt hierna teruggekomen.

7. Dictum
De tuchtcommissie heeft besloten speler Vols te bestraffen met een algeheel verbod om in welke hoedanigheid dan ook aan wedstrijden deel te nemen voor de duur van drie jaar, waarvan twee jaar voorwaardelijk, zulks met een proeftijd van twee jaar, welke proeftijd een aanvang neemt na ommekomst van het onvoorwaardelijke deel van deze schorsing.

Voorts legt de tuchtcommissie aan de speler de maatregel op, dat hij de scheidsrechtersopleiding dient te volgen. Indien zijn club c.q. de scheidsrechterscommissie na het volgen van die opleiding de speler als scheidsrechter zou willen inzetten, is zulks toegestaan, en voor dat geval geldt aldus een uitzondering op de hierboven opgelegde schorsing.

Terug